top of page

Dvořák Symfonie nr. 7 in d, opus 70 - Antwerp Symphony

  • Foto van schrijver: Rik Beirinckx
    Rik Beirinckx
  • 4 dagen geleden
  • 2 minuten om te lezen

Antonín Dvořák (1841-1901 )was een Tsjechische componist uit de romantiek, bekend om zijn warme, melodieuze stijl en het gebruik van Boheemse volksmuziek, met als beroemdste werk zijn Symfonie nr. 9 “Uit de Nieuwe Wereld”.

Als tiener kreeg hij les in viool, altviool, orgel en muziektheorie, en tussen 1857 en 1859 studeerde hij aan de orgelschool in Praag, wat zijn eerste professionele muzikale basis vormde.​ Na zijn studie bleef Dvořák in Praag, waar hij zijn brood verdiende als altviolist in het orkest van het nieuwe interimstheater, de voorloper van het Nationaal Theater. Hij omponeerde symfonieën, kamermuziek, liederen en opera’s, maar erkenning bleef aanvankelijk beperkt tot een kleine kring in Bohemen.​

.​Vanaf de jaren 1880 werd Dvořák veelvuldig uitgenodigd als dirigent, vooral in Engeland, waar onder meer zijn Zevende Symfonie en latere grote werken met succes in première gingen.​

In 1892 werd Dvořák benoemd tot directeur van het National Conservatory of Music in New York, waar hij tot 1895 verbleef. In deze periode componeerde hij zijn Symfonie nr. 9 in e klein, “Uit de Nieuwe Wereld”, waarin hij indrukken van Amerikaanse spirituals en indiaanse melodiek verwerkte zonder letterlijke citaten, evenals het “Amerikaanse” strijkkwartet op. 96.​Heimwee dreef hem in 1895 terug naar Praag, waar hij zijn leerstoel aan het conservatorium hervatte en zich meer toelegde op kamermuziek en vooral opera’s. Hij werd in 1901 directeur van het Praagse Conservatorium en gold toen al als de belangrijkste Tsjechische componist naast Smetana.

Dvořák schreef de symfonie tijdens een periode van innerlijke crisis, mogelijk beïnvloed door patriottische spanningen in Bohemen en zijn ambitie voor internationale erkenning, geïnspireerd door Brahms en Beethoven. Het werk duurt ongeveer 37 minuten en gebruikt een klassiek orkest met 2 fluiten (een met piccolo), 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 4 hoorns, 2 trompetten, 3 trombones, pauken en strijkers.

De symfonie onderscheidt zich door zijn donkere, introspectieve toon en meesterlijke vormbeheersing, vaak vergeleken met Brahms' werken, en wordt beschouwd als een hoogtepunt in de symfonische traditie na Beethoven.

  • I. Allegro maestoso (d-klein): Begint met een sombere introductie en bouwt op tot dramatische spanning, met een meer verzoenend tweede thema.​​

  • II. Poco adagio (F-groot): Een kalm, gebed-achtig deel dat later werd ingekort door Dvořák voor compactheid.​​

  • III. Scherzo: Vivace (d-klein): Een ritmisch, dansachtig maar duister scherzo met dramatische accenten.​​

  • IV. Finale: Allegro (d-klein, eindigt in D-groot): Een heroïsch slot met krachtige thema's en een triomfantelijke coda.

Het Scherzo springt er iets meer uit vanwege zijn ritme en dynamiek en tegelijk de dramatische toon van deze symfonie vasthoudt. Een mooie uitvoering onder leiding van de Britse dirigent Jonathan Bloxham.

Gezien en beluisterd in de de Koningin Elizabeth zaal. Alle info op de website.





Opmerkingen


bottom of page